Klapdeuren slingeren roekeloos open. Een man van middelbare leeftijd stapt overtuigend naar binnen. Zijn gelaat verraadt noeste arbeid  en liters alcohol. Clint Eastwood had nu twee pistolen getrokken. In plaats daarvan wendt hij zich tot de kastelein achter de meterslange toog: ‘Hé Moreno! Één bier en één mezcal.’ Van de 15 aanwezigen kijkt niemand op of om. Er wordt naar een geluidloze voetbalwedstrijd  gestaard of nog wat dieper in het glas gekeken. Een groep studenten lacht om de zoveelste blunder van president Enrique Peña Nieto. Moreno wandelt stoïcijns naar de koelkast.

Achter de jukebox staat een jongeman van zo’n dertig jaar. Hij huilt. Zoekend naar de code van het lied dat hij al een keer of zes heeft gekozen, verkeert hij in staat van dronkenschap, verdriet en wanhoop. ‘Ze moet me niet meer’, zegt hij tegen zichzelf als hij terugloopt naar zijn tafel in de hoek. ‘Directo al corazón’ van de beroemde Tigres del Norte klinkt treurig door La Norteña. Misschien heeft de muzikale vinding de jaren 70 niet gehaald in Europa,  Mexicanen zijn dol gebleven op  de jukebox.  Een cantina zonder is geen cantina. Voor vijftig cent drie liedjes. Succes gegarandeerd. Tijdens een afscheidsfeestje investeerde ik ooit een weekloon aan het apparaat. Nog nooit heb ik iemand horen klagen over de muziekkeuze. Die is door heel Mexico overigens vrij voorspelbaar te noemen: José Alfred

 

o Jimenez, een soort Mexicaanse André Hazes die het leven bezingt zoals het hoort, komt dagelijks honderdduizend keer voorbij. Minstens. Daarnaast wat vrolijke norteña-muziek of corridos. Soms gooit een blonde buitenlander wat olie op het vuur, omdat het kan.

Zo ook nu.  Na 7 keer hetzelfde gebroken hart was ik het zat en hoorde hoe mijn drie muntstukken confirmerend het centenbakkie invielen. Opgeluchte blikken van studenten en andere kroegtijgers. Ook zij  konden de huilende knaap nu wel schieten, maar omdat niemand zijn geld had ingezet als eerwraak bleef het stil.  Wanneer ik muziek kies gebeurt overigens in iedere cantina hetzelfde. Mensen denken soms hardop: ‘Die verrekte blonde gaat toch geen herrie opzetten?’. Meestal besluit ik snel en eenvoudig te scoren met een klassiekertje van José Alfredo, maar dit keer niet.  Ook bij mij floreert de liefde niet meer het sinds een avontuur in de sneeuw met Robert Ten Brink. En daarom gunde ik mijn generatiegenoot nog een keer zijn verzetje, recht uit het hart.

Toen de eerste klanken van het inmiddels gehate lied voor de 10e keer te horen waren zag ik alle kroegtijgers het hoofd schudden. ‘Pinche Güero!’ riep de kastelein met een glimlach. ‘Verrekte blonde!’ Maar aan het hoektafeltje droogde iemand zijn tranen  en toverde zowaar een glimlach tevoorschijn. ‘Kutwijven!’, stamelde hij. Voordat hij naar mij wees klopte hij zijn vuist twee keer op het hart. ‘Bedankt ouwe’, snotterde hij na. Ik knikte en droop af. Na de fameuze Tijgers uit het noorden schreeuwden nu de mannen van Rammstein het uit en zong  Alejandro Fernández over billenkoek met cactusblad. Gewoon, omdat het kan. En omdat mezcal wonden heelt die vrouwen openen als klapdeuren.