De afgelopen 9000 kilometer zag ik geen reden het stereotype te bevestigen. Zo slecht was het Mexicaanse wegdek helemaal niet. Al dan niet drugsgerelateerde struikrovers had ik ook nergens gezien, hoewel ik één route links liet liggen omdat ik meer dan tien waarschuwingen ontving. Nee, dan Baja California. 

Het door Noord-Amerikanen overspoelde vakantieparadijs is een ramp voor iedere personenauto. Laat staan voor een lief kevertje uit 1995 met onderstel dat juist letterlijk het zout uit de wonden van een kwetsbaar chassis had gewassen. Een ruige rit over het terrein van het grootste zoutwinningsbedrijf ter wereld mag dan goed zijn voor de tere mensenhuid, een Volkswagen uit 1995 denkt daar heel anders over. En dan is er nog het doorgaande verkeer.

De wegen zitten hier vol met levensgevaarlijke kuilen. Achter elke cactus schuilt ’s nachts een bandiet en vrachtwagens scheuren met 130 km per uur voorbij. Een feest is het rijden hier zeker niet. Ik had overigens wel net een lekker feestnummertje aangezet op Spotify toen ik de bocht door kwam en onderstaand beeld voor me zag. Ik parkeerde snel naast de stuiptrekkende truck en paste eerste hulp bij ongelukken toe op de chauffeur die er prima bij zat: ‘Hallo vriend, gaat het een beetje? Zeker weten? Ik ben Dirk, hoe heet jij? ’t Ziet er niet best uit ouwe…, wil je water? Kan ik verder nog iets voor je doen?’ (tot zover de cursus). Alles bleek in orde en een van mijn voorgangers was al lang op weg naar het dichtstbijzijnde dorp, want telefoonverbinding was er in de afgelopen 150 kilometer niet en zou er in de komende 100 ook niet komen.

Aangezien het ijs al was gebroken en ik mijn liters frisdrank als troost had afgestaan, zag ik dat Gabriel alleen nog over een lading adrenaline beschikte.  Ik durfde dus brutaal te zijn: ‘Zeg, hoe heb jij dit in hemelsnaam versierd eigenlijk? Reed je soms te hard?!’ Het antwoord was even eerlijk als verontrustend: ‘Nee, ik reed niet te hard. De lading was gewoon te hoog voor deze bocht’.